Wanneer een werknemer een ontslagvergoeding krijgt, heeft hij op dit moment drie opties:

  1. Het bedrag wordt direct uitgekeerd en progressief belast tegen de inkomstenbelastingtarieven. In veel gevallen is dat weinig aantrekkelijk.
  2. Het vermogen wordt afgestort bij een bank, beleggingsinstelling of verzekeraar in een bankspaar- ofverzekeringsproduct. Op deze manier vindt de belastingheffing niet ineens plaats. Dit gebeurt later als periodieke uitkeringen plaatsvinden.
  3. De ontslagvergoeding wordt ondergebracht bij een besloten vennootschap, een zogeheten stamrecht€bv. Ook hierbij vindt de belastingheffing niet ineens plaats. Dit gebeurt later als er periodieke uitkeringen plaatsvinden.

Stamrechtvrijstelling vervalt

Vanaf 2014 vervalt de stamrechtvrijstelling . Die afschaffing heeft tot gevolg dat vanaf 1 januari 2014 ontvangen ontslagvergoedingen in het jaar van ontvangst volledig in box 1 worden belast. De scherpste kantjes van de afschaffing van de stamrechtvrijstelling voor nieuwe gevallen kunnen (afhankelijk van de persoonlijke situatie) worden gematigd door gebruikmaking van de middelingsregeling. De Raad van State tekent in haar advies echter aan dat de middelingsregeling een hoge drempel kent zodat in veel gevallende werking van de middelingsregeling beperkt is.

De stamrechtvrijstelling speelt in de praktijk een belangrijke rol bij ontslaguitkeringen. Door een dergelijke uitkering om te zetten in een recht op periodieke uitkeringen kan worden bereikt dat de belastingheffing wordt uitgesteld tot de (inkomensvervangende) uitkering wordt uitgekeerd. Pensioengaten als gevolg van ontslag kunnen op die manier worden voorkomen. Bij de afschaffing van de stamrechtvrijstelling zijn belanghebbenden voor het vermijden van pensioengaten in de toekomst aangewezen op de mogelijkheden die de derde pijler biedt (aftrek van premies voor lijfrenten). Omdat de hoogte van de aftrek van premies voor lijfrenten afhangt van het jaarlijkse pensioentekort zijn die mogelijkheden echter ingeperkt. De tweede pijler biedt ook een mogelijkheid door middel van inhaal van pensioen. Dit wordt overigens wel steeds moeilijker door de beperking van het Witteveenkader. Bij het afschaffen van de stamrechtvrijstelling kan een ontslaguitkering dus nog maar beperkt worden gebruikt voor het vullen van pensioengaten.

Uitkering ineens mogelijk, vriendelijk belast

Per 1 januari 2014 vervalt voor alle bestaande gouden handdruk stamrechten de eis dat deze in periodieke termijnen moeten worden uitgekeerd. Bij de uitkering ineens is de belastingplichtige geen revisierente verschuldigd. Het maakt niet uit of het stamrecht is ondergebracht in een stamrecht-bv, bij een bank, een beleggingsinstelling of een verzekeraar. De uitkering ineens wordt vervolgens bij de belastingplichtige in haar geheel in box 1 belast. Dit is een keuze van de belastingplichtige en dus geen verplichting. Zolang het bestaande stamrecht niet wordt uitgekeerd, is van heffing in beginsel geen sprake. Als de belastingplichtige in 2014 een uitkering ineens ontvangt hoeft hij deze maar voor 80% aan te geven in box 1. Deze tegemoetkoming moet belastingplichtigen stimuleren om stamrechtgeld eerder op te nemen en te consumeren. Dit is vergelijkbaar met de manier van belastingheffen over het levenslooptegoed in 2013. Op deze manier probeert de overheid twee vliegen in één klap te slaan: uitgestelde belastingheffing wordt naar voren gehaald en het vrijgekomen kapitaal kan worden geconsumeerd.

Het is overigens maar de vraag of opname van het stamrechtkapitaal altijd de juiste keuze is. In veel gevallen maakten ex-werknemers een bewuste keuze om de ontslagvergoeding in een stamrecht onder te brengen. De betreffende reden (bijvoorbeeld aanvulling op WW, een verhoging van het pensioen, een appeltje voor de dorst) om hiervoor te kiezen verandert niet door deze fiscale prikkel. Daarnaast kunnen er andere redenen zijn om niet te kiezen voor een opname ineens, zoals een gegarandeerde uitkering bij een verzekeringscontract.
De Raad van State is erg kritisch en vraagt zich af of het doel van de regering, een budgettaire opbrengst van € 1,2 miljard, gehaald kan worden. Dit doel kan slechts gehaald worden als belanghebbenden hun stamrechten vrijwillig in één keer laten uitkeren. De Raad van State heeft hierbij de volgende kanttekeningen.

  • Indien het stamrecht is ondergebracht bij een bank of een verzekeringsmaatschappij zullen deze mee moeten werken aan een uitkering ineens. Indien dit contractueel al tot de mogelijkheden behoort, is het nog maar de vraag of banken en verzekeringsmaatschappijen hiertoe bereid zullen zijn. Uitkeren ineens betekent immers dat een aanzienlijke financiële uitstroom plaatsvindt in een periode waarin de financiële sector juist geacht wordt de balansen op orde te brengen.
  • Ook indien het stamrecht is ondergebracht in een eigen stamrecht-BV is het ineens uitkeren van een stamrecht niet zonder meer mogelijk. Zo is veel vermogen in stamrecht-BV’s niet liquide te maken, omdat het is aangewend in een onderneming of voor langere tijd is uitgeleend. Ook tegenvallende beleggings- en ondernemingsresultaten verhinderen uitkeren ineens.
  • Tot slot betwijfelt de Raad van State of de voorgestelde fiscale prikkel voldoende is om tot eenuitkering ineens over te gaan. Een belangrijk voordeel van de stamrechtvrijstelling is dat toekomstige uitkeringen lager worden belast vanwege het ouderentarief en het feit dat de inkomsten na pensionering meestal lager zijn en dus tegen een lager tarief worden belast. Weliswaar verkleint de fiscale tegemoetkoming dit verschil, maar de vraag is of dit verschil voldoende zal zijn om in 2014 substantieel tot een uitkering ineens over te gaan.

Bron: AEGON / Samenvatting Miljoenennota 2014